Home > Verhalen > Goud

Goud

2 oktober 2009

De hele afgelopen week heb ik met een brok in mijn keel rondgelopen. Zo groot, dat die mij het eten vrijwel onmogelijk maakte. Laat staan dat ik ervan kon genieten.

Genieten was evenwel het toverwoord voor mijn overleden vriendin Lyanne (of Liedeke, zoals ik haar altijd noemde). Tijdens haar uitvaart werd het gememoreerd: Liedeke genoot hartstochtelijk van het leven.

De voorbije jaren ben ik daarvan (tot mijn grote droefgeest) geen deelgenoot meer geweest. We waren elkaar uit het oog verloren. Maar de mooie herinneringen blijven.

Zoals toen we geregeld samen – op het piepkleine balkonnetje van mijn studentenkamer aan de Boerhaavelaan in Leiden – tijdens zwoele zomeravonden een flesje wit ‘wegtikten’. Benen bungelend over de bakstenen ballustrade. Roxy Music’s langspeler Avalon op de achtergrond.

Liedeke was een (on)geregeld stapmaatje: kroeg, terras, restaurant, bioscoop, theater, hoe en wanneer het maar uitkwam. Het donderde niet, als er maar iets te genieten viel.

Daarnaast – en misschien wel bovenal – was ze mijn vaste danspartner: brons en zilver bij dansschool Wielinga. Tot goud hebben we het nooit geschopt. Liedeke vond vrijwel alle dansen leuk en lollig maar aan de slowfox had ze grondig het land. Daarom is dat goud er nooit gekomen.

Tot nu. Dit gedicht van Jacqueline van der Waals werd vandaag rond het middaguur aan haar graf gelezen:

Najaarslaan

Ik keek in de gouden heerlijkheid
van een najaarslaan,
het was of ik goudene deuren wijd
zag openstaan,
het werd mij, toen ik binnen ging,
of ik door gouden gewelven liep:
ik aarzelde even, ik ademde diep,
diep van verwondering.
Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout
doet wat verboden is;
ik sprak: „Zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zo rijk, dat van louter goud
de gang mijner woning is?”
Toen sprak ik: „Deze gouden grot
is immers geen mensenpaleis.”
Ik sprak: „Het is een betoverend slot,
dat lang op sprookjeswijs
geslapen heeft en stil gewacht,
op één, die de poorten ontdekken zou
van ’t huis, dat ieder mensenhuis
te boven gaat in pracht.”
Ik sprak: „Hoe ben ik zo rijk, zo rijk!
Hoe ben ik zo rijk, mijn God!
Welk’ aardse woning is gelijk
aan dit, mijn sprookjesslot?”
Trots, of ik een prinsesje waar,
ging ik door ’t goud;
aan beide zijden stonden daar
schragend de gangen, hoog en zwaar,
de zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
hoe zullen daar de zalen zijn!
Ik zag aan ’t eind van mijn pad
een kleine ronde poort,
als blauw saffier in goud gevat,
en haastig, vol verlangen trad
ik door de gangen voort.
Ik sprak: „Als bij mijn aankomst wijd
die poorten openstaan,
in welk een grote heerlijkheid
zal ik dàn binnengaan,
indien van goud de gangen zijn,
hoe groot moet mijn verlangen zijn,
de zalen in te gaan!”

Dag lieve Liedeke, prachtvrouw, prima donna, prinses…
ik zal je nooit vergeten!

Categorieën:Verhalen