Archief

Posts Tagged ‘Banket’

Koningskoek

6 januari 2010 4 reacties

Gevraagd naar mijn levensbeschouwelijke overtuiging antwoord ik altijd met een vette knipoog: “vrolijk orthodox”. Van de ècht orthodoxe gebruiken heb ik echter niet de geringste sjoeche.

Driekoningen is voor mij dan ook slechts het sein om de kerstboom af te tuigen en met een noodvaart naar het postkantoor te hollen om de laatste nieuwjaarswensen op de bus te doen. Dit jaar was dat niet anders. (Overigens blijk ik met die boom altijd te vroeg te zijn geweest: dat ‘mag’ pas de dag ná Driekoningen.)

Maar 6 januari kent bij nader inzien een rijke roomse traditie. Net als op Sint Maarten gaan er kinderen (ditmaal verkleed als de Wijzen uit het Oosten) met lampionnen langs de deuren om liedjes te zingen en geld of snoep op te halen. In die zin is het dus een bedelfeest.
Voorwaarde is wel dat één op de drie ukkepukken zwart is geschminkt om de (naar verluidt uit Afrika afkomstige) Wijze koning Caspar te verbeelden.

Een ander oud paaps gebruik is het eten van een koek of taart waarin een (witte) boon is meegebakken. Deze gewoonte is ontleend aan de Oud-Germaanse midwintervasten, waarin het eten van peulvruchten (toen het voornaamste voedsel) ongeoorloofd was.
Wie op de laatste avond van die vastentijd in de taart het ‘heilig boontje’ trof, was de koning en aldus voor één dag de baas in huis.


Driekoningen – Jan Steen

Geregelde lezers weten dat ik – culinair beschouwd – geen koekebakker ben. Taalkundig bezien juist weer wèl: ik bak er maar weinig van. Psychisch nog niet hersteld van mijn boterkoek-fiasco stelde ik de bereiding van een ordentelijke Driekoningenkoek aldus nog een jaartje uit, zodat ik in de tussentijd een beetje kan oefenen.

Naar men zegt dient zo’n taart te worden bereid van frangipane: een beslag op basis van amandelspijs, boter, suiker, eieren en bloem. Welnu, de officiële lezingen van die recepturen laat ik even voor wat ze zijn: uit één van de vele hier voorhanden zijnde kook- en bakboeken zocht ik deze – in mijn optiek betrekkelijk simpele – ‘Koningskoek’ uit:

Ingrediënten

  • ½ pd boter
  • ½ pd suiker
  • 6 eieren
  • sap en geraspte schil van een ½ citroen
  • snufje zout
  • 1 el rum
  • 190 gr bloem
  • 60 gr maïzena
  • ½ ons gepelde en gemalen amandelen
  • 120 gr sultanarozijnen
  • 1 witte boon
  • poedersuiker

Wentel de rozijnen door de bloem en houd ze apart.

Snijd de boter met twee messen tot vlokken in een hoge (beslag)kom.

Verdeel hierover suiker, eieren, citroenschil en -sap, zout, rum, bloem en maïzena en klop dit alles gedurende ca 2 min met de mixer op de hoogste stand.

Voeg dan de gemalen amandelen, de sultana’s plus die ene witte boon toe en spatel ze gelijkmatig door het beslag.

Schep het beslag in een goed ingevette cakevorm van ca 30 cm lengte en strijk het glad.

Bak de koek in een voorverwarmde oven (175 à 200°C) gaar: 60 à 70 min.

Laat de koek in de vorm een beetje afkoelen en stort hem dan op een taartrooster. Tenslotte met poedersuiker bestrooien.

Advertenties
Categorieën:Recepten Tags:

Boterkoek met amandelspijs

23 november 2009 5 reacties

Mijn ouders zijn onverbeterlijke zoetekauwen. Hoe dat zo is gekomen? Geen idee. Toen ik klein was werd er volstaan met een Mariakaakje bij de thee en een spritsje bij de koffie. Mijn vader snoepte in het geheel niet. Hij hield niet van ‘zoet’; opvallend genoeg tot het moment dat hij aan diabetes ging lijden.

Dagelijks krijg ik tegenwoordig dus opdracht om ‘IVBDK’ (Iets Voor Bij De Koffie) mee te brengen van mijn inkoop-expedities. En aldus vliegen de Limburgse vla’s – ten noorden van de afslag Roosteren/Susteren ‘vlaaien’ genoemd – er in onmatige hoeveelheden doorheen, net als banketstaven, cakes, stollen en allerlei baksels uit de oliebollenkraam.

De uitgaven daarvoor beslaan inmiddels een onevenredig deel van het ouderlijk boodschappenbudget, en dus bedacht ik dat het misschien ook anders kan. Nu ben ik geen fervent koekebakker: ik houd zèlf namelijk niet van zoetigheden.

Ik heb dan ook nauwelijks ervaring met bakovens, behalve dan voor het maken van een incidentele quiche. Wellicht komt daarin vanaf vandaag verandering. Laat ik maar eens eenvoudig beginnen: met boterkoek.

Ingrediënten:

  • 2 ons bloem
  • 1½ ons boter
  • 1 ons fijne witte suiker of basterdsuiker
  • ½ ons amandelspijs (zie hieronder)
  • snufje zout

Voor de amandelspijs:

  • 1½ ons amandelen
  • 1½ ons suiker
  • 1 ei
  • 1 el water
  • geraspte schil van ½ citroen

Kook de amandelen even op. Pel ze, was ze af en laat ze drogen. Maal ze daarna in een keukenmachine fijn.
Vermeng de gemalen amandelen met de suiker, het ei, water en de geraspte citroenschil.
De amandelspijs kan het best enige tijd van te voren worden gemaakt, liefst enkele dagen of zelfs een week. Gedurende die tijd kan het – gewikkeld in plastic keukenfolie – in de koelkast worden bewaard.

Roer boter, suiker, amandelspijs en zout goed dooreen. Voeg de bloem er langzamerhand aan toe en vermeng alles goed.

Vorm van het deeg een ronde platte koek (± 2 cm) in een lage open bakvorm. Bestrijk de bovenzijde met eidooier.

Bak de koek gedurende 20 à 30 min in een matig warme oven (ca 160°C) goudbruin en goed gaar.


Naschrift:
Ik wìst het, ik wìst het…! Voor slimme jongen heb ik nooit gedeugd, en ook een begenadigd pâtissier zal ik nimmer worden. Wat er mis ging? Geen benul. Maar dat deeg – zoals hierboven beschreven – leek om te beginnen al nergens op: droog, korrelig en zonder ‘gepast geweld’ niet van de deeghaken los te slaan. Om het iets smeuïger te krijgen heb ik een scheutje melk toegevoegd, vervolgens een ei en tenslotte nog wat water. Toen begon het ergens op te lijken. Maar na een half uur in de oven bleek de koek nog niet eens hàlfgaar. Pas na een uur – inmiddels op een hogere temperatuur (185°C) – begon Bleke Bet een beetje kleur te krijgen en kon de koek uit de oven. De hamvraag: “was ‘ie lekker?” Mwah, ik vond hem maar zo-zo en was ook nog eens het snufje zout vergeten… Het bakken van banket laat ik voortaan weer aan de bakker over.

Categorieën:Recepten Tags:

Joodse gemberbolussen

14 september 2009 Commentaar uitgeschakeld

Ik kan potdikke m’n hielen ook niet uit onze hoofdstad lichten, of er blijkt zich daar alweer een klein drama te hebben afgespeeld.

Pas gisteren (ruim een jaar na dato!) bereikte mij het schokkende bericht dat bakker Theeboom uit de Maasstraat de deuren op last van de bank heeft moeten sluiten.

‘Failliet’ heet zoiets officieel; Amsterdammers noemen dat ‘pleite’. (Brenger van de jobstijding was trouwens mijn Mokumse informante Tanja…)

Toen ik – al lang geleden – nog in de Transvaalwijk woonde, had ik er graag een stevige zondagse wandeling voor over om in de Rivierenbuurt een gemberbolusje te gaan nasjen. Sinds ik op de Veluwe verblijf moet ik die lekkernij helaas missen.

Het blijkt echter heel goed mogelijk – zij het met enige inspanning, gezien ingrediëntenlijst en werkwijze – om de kleverige broodjes zèlf te maken, getuige dit recept op de website ‘Joods Amsterdam’.

Uit sentimenteel-melancholische overwegingen ga ik dat vandeweek maar eens doen: zònder rabbinaal toezicht…

Categorieën:Recepten, Verhalen Tags:

Kwee lapis (spekkoek)

25 mei 2009 3 reacties

Vorige week is de Pasar-Tong-Tong-Malam-Fair-Besar weer begonnen. De wàt?!

Precies: uw vraag geeft de spraakverwarring al aardig weer.

Voor degenen die het nog niet wisten: de Haagse Pasar Malam Besar heeft een naamsverandering ondergaan, en heet voortaan Tong Tong Fair.

What’s in a name? A rose is a rose… by any other name it would smell as sweet!

En geuren dóet het daar: naar gerechten uit alle windstreken van de Ind(ones)ische archipel.

Jammer alleen van dat vermaledijde, van staatswege (door Kameraad Klink) opgelegde rookverbod: helaas dus geen heerlijke kretèkwolken meer in de DDR-aan-Zee!

Sommige dingen veranderen echter nooit, dus het hele rijtje beroeps-kroepoeks was weer komen opdraven: van Wieteke en Andres (die van Sandra) tot een Tielman-broertje en de onvermijdelijke Rocky Tuhuteru (die van de gratuite vragen en de makkelijke inkoppertjes).

Radio5 besteedde er gistermiddag uigebreid aandacht aan; de uitgekauwde selamat datangs, selamat makans en selamat siangs waren weer niet van de lucht. Kortom: een hoop tempo doeloe-gedoe.

Laat ik mijn open Indische deurtje vandaag dan ook maar intrappen: een recept voor spekkoek (op hedendaagse Indonesische spijskaarten ook nog wel eens aangetroffen als spekuk) die eigenlijk kwee lapis heet.

Benodigdheden:

  • 1 vanillestokje
  • 4½ ons gezouten boter (Zeeuwse of Bretonse)
  • ½ pd witte basterdsuiker
  • 6 eieren
  • 1 ons bloem
  • 25 gr maïzena
  • 2 el kaneel
  • 2 tl nootmuskaat
  • 2 tl fijngewreven anijszaad
  • 2 tl kruidnagelpoeder
  • 2 tl kardemom
  • 3 el dikke kokosmelk

Het ingrediëntenlijstje mag dan niet zo indrukwekkend zijn, de bereidingswijze is bepaald niet ongecompliceerd. Gaat u even zitten (duduk): het wordt een lang verhaal.

Leg om te beginnen het vanillestokje een half uur in ruim koud water. Snijd het daarna overlangs doormidden, neem met behulp van een theelepeltje het merg weg uit beide helften en houd dit apart.

Roer de boter in een kom tot een zachte massa. Voeg tijdens het roeren het vanillemerg en – beetje voor beetje – de helft van de suiker toe. Roer en klop dit totdat het een fraai glanzende massa is geworden.

Scheid de eieren. Sla de dooiers schuimig op en voeg er tijdens het kloppen de rest van de suiker aan toe. Blijf kloppen tot een mooie schuimige massa is ontstaan.

Klop in een andere kom de eiwitten stijf op. Spatel het eierdooiermengsel zo luchtig mogelijk door het botermengsel.

Zeef de bloem, de maïzena en een mespuntje zout er boven en roer ze door de massa. Spatel daarna zo luchtig mogelijk de stijfgeklopte eiwitten erdoor.

Schep de helft van het nu verkregen beslag in een schone kom en voeg alle genoemde kruiden en specerijen er aan toe. Spatel alles luchtigjes door elkaar.

U hebt nu twee verschillend gekleurde soorten beslag gekregen: lichtgekleurd beslag zònder kruiden en specerijen, en een vrij egaal bruingekleurd beslag mèt kruiden en specerijen. Voeg aan beide beslagjes 1½ el kokosmelk toe.

Schep op de bodem van een ingevette springvorm (Ø 22 à 24 cm) een dunne laag van het bruine beslag (ca 6 eetlepels).

Plaats de vorm onder een reeds hete grill of in een voorverwarmde oven (175°C). Neem de vorm na 3 minuten onder de grill vandaan. Het beslag dient dan juist gaar te zijn.

Schep vervolgens een laagje lichtgekleurd beslag erop en plaats de vorm weer onder de grill. Schakel indien mogelijk de onderwarmte uit.

Verwerk op deze wijze – laag voor laag – al het beslag. Wanneer het bovenste beslaglaagje (bij voorkeur het bruine) gaar is, kunt u de hittebron uitschakelen en de taart nog enkele minuten laten staan, voordat u hem uit de oven haalt.

Verwijder de vorm pas wanneer de koek geheel is afgekoeld.

Categorieën:Recepten Tags: , , ,

Tante Rika’s citroenkoek

18 januari 2009 2 reacties

Tante Rika was eigenlijk geen èchte tante van mij maar een volle nicht van mijn moeder. Nou, à-la… ze was in elk geval familie: vandaar dit recept, opnieuw in het kader van het “FoodBlog Event januari 2009”.

De summiere beschrijving was in eerste instantie afkomstig van mijn Jongste Tante van de Warme Kant, maar de volledige bereidingswijze werd ingestuurd door Tante Rika’s eigen zoon Peter (die aldus een achterneef van mij is, en hier nog altijd Pietje wordt genoemd).

Toegegeven: ik heb deze koek nog niet zèlf gemaakt (een foto ontbreekt dan ook jammerlijk) maar ik wilde het recept alvast plaatsen, eer deze maand – en dus ook het FoodBloggers Event – tot een einde is gekomen.

De basis voor deze koek bestaat uit drie bodems van cakedeeg, elk 26 of 28 cm in doorsnede.

Voor de cakebodems:

  • 1½ pak Koopmans cakemeel
  • 1 pd witte basterdsuiker
  • 1½ pakje boter
  • het eiwit van 6 eieren
  • 3 flesjes amandelolie

Het cakebeslag goed luchtig slaan in een ruime kom en de bodems in ca 1 uur bakken in een zeer matig warme oven.

Voor de vulling:

  • de dooiers van 6 eieren
  • 3 ons suiker
  • ½ pakje boter
  • het sap van 3 à 4 citroenen

Suiker met boter en citroensap in een pannetje doen en au Bain-marie verwarmen tot de boter is gesmolten en alle suiker is opgelost. De pan van de warmtebron halen.

Dan de eidooiers met een garde loskloppen (uitdrukkelijke waarschuwing van Peter: „geen druppel eiwit erin laten komen, want dat gaat niet best”) en langzaamaan het suiker-boter-sapmengsel toevoegen en de pan weer verwarmen. Opnieuw rustig, kalm, liefdevol en langzaam tegen de kook aan brengen en je zult zien dat het heerlijk bindt. Daarna laten afkoelen.

Als het mengsel bijna koud is, maar nog wel vloeibaar, deze vulling tussen de cakebodems spatelen.

Voor het glazuur:

  • 125 gr gezeefde poedersuiker
  • enige druppels citroensap, citroenaroma of citroenjenever
  • beetje water

De poedersuiker vermengen met het citroensap en daar druppelsgewijs zoveel water door roeren dat het een dik papje wordt. Dit papje roeren tot het glanzend is. Het koud bereide glazuur wordt met een breed mes of met een kwastje snel over de koek uitgestreken. Het moet daarna nog een tijdlang staan om uit te harden.

Voor de versiering:

  • strooidecorartie van Dr. Oetker, bijvoorbeeld eetbare confetti of suikerhartjes

Wil men garnering op het glazuur aanbrengen, dan moet dit al zo ver gedroogd zijn, dat de garnering er niet meer doorheen zakt. Het mag echter nog niet geheel hard zijn, want dan houdt het glazuur de garnering niet meer vast; bovendien barst het bij aanraking.

Categorieën:FoodBlog Event, Recepten Tags:

Apfelstreuselkuchen van Oma Guste

9 januari 2009 Commentaar uitgeschakeld

Een onverwoestbare klassieker uit de keuken van mijn grootmoeder.

Apfelstreuselkuchen is een platte plaatkoek, die het volledige oppervlak van een bakplaat beslaat.

Voor de streusel:

  • ½ pakje boter
  • ½ pd suiker
  • 1 zakje vanillesuiker
  • 350 gr bloem

Een paar uur vóór het maken van het deeg de streusel bereiden, door alle ingrediënten goed met elkaar te vermengen, eventueel met een handmixer op lage snelheid. Koel wegzetten.

Voor het deeg:

  • ½ pond bloem
  • ½ zakje droge gist
  • 1 ei
  • 25 gr suiker
  • 125 ml lauwe melk
  • 30 gr gesmolten boter
  • snufje zout
  • 1 tl geraspte citroenschil

Van alle bestanddelen een deeg mengen en dit doorkneden tot het van de handen loslaat. Het deeg vervolgens enige keren slaan op een met bloem bestoven oppervlak.

Het daarna – toegedekt – ongeveer een half uur laten rijzen en dan weer doorkneden.

Na het rijzen goed uitrollen tot een dunne plak en op een ingevette bakplaat uitvleien. Voorts beleggen met gewelde appelpartjes van ongeveer 4 grote goudreinetten of andere zachtzoet-zure appels (bijvoorbeeld Rode Boskoop).

De streusel verkruimelen en over de deeglap strooien tot alles is bedekt, en de plaat tenslotte in een voorverwarmde oven schuiven op 210°C.

De koek is klaar wanneer hij – na pakweg een half uur tot 40 minuten – mooi goudbruin begint te kleuren. Van tijd-tot-tijd een blik door het ovenvenster werpen om te zien of de koek niet te snel bruint; de oven desnoods naar een lagere temperatuur schakelen, doch niet lager dan 150°C.

Vóór het serveren met poedersuiker bestrooien.

Van mijn Wijze Oude Moeder hoorde ik trouwens dat Oma de deegplak vaak in tweeën maakte en daartussen nog een paar flinke likken zelfgemaakte appelmoes smeerde. Dat geeft een nòg smeuïger resultaat.

Voor deze koek kun je zowat m’n hele familie ’s nachts wakker maken, en mij zelfs overdag!


Met dank aan Nicht Marjan voor het insturen van dit recept!

Oliebollen, appelflappen en -beignets

30 december 2008 Commentaar uitgeschakeld

Oliebollen (± 30)

  • 1 pd bloem
  • 4 à 5 dl melk
  • 25 gr gist
  • 1½ tl zout
  • 1 ons krenten
  • 1 ons rozijnen
  • ½ ons sukade
  • 3 à 4 zure appelen

Van bloem, melk, gist en zout een gistbeslag maken en dit laten rijzen. Intussen de krenten en rozijnen wassen en drogen en de sukade en appelen in kleine stukjes snijden.

Als het beslag voldoende gerezen is, de vulling eraan toevoegen. In een diepe pan of frituurpan het vet zó heet laten worden, dat er een lichte damp uit opstijgt.

Met twee lepels van het deeg bollen vormen (de lepels, voordat men begint, even in het hete vet houden, waardoor het beslag er bij het vormen gemakkelijker afglijdt), deze voorzichtig in het hete vet laten glijden en aan beide kanten gaar en bruin laten bakken.

De bollen met een vork uit het vet nemen en even er boven uit laten lekken, bestrooien met poedersuiker en warm opdienen.

Appelflappen van Engels korstdeeg

  • 1½ ons bloem
  • 75 gr koude! boter
  • ruim ½ dl water
  • 3 gr zout of iets minder
  • 2 appelen
  • 25 gr suiker
  • 15 gr rozijnen
  • kaneel
  • verdund eigeel of ei

De appelen in kleine dobbelsteentjes snijden, even verwarmen met wat water waarin men eerst de suiker heeft oplost. Vervolgens de gewassen en gedroogde rozijnen en de kaneel toevoegen en het geheel laten afkoelen.

De harde boter in de bloem hakken tot stukjes ter grootte van een erwt; zout en water toevoegen en deze bestanddelen met elkaar vermengen. Al deze bestanddelen moeten zo koud mogelijk zijn, vooral de boter. Het mengen kan met een mes, echter vooral niet roeren in het mengsel. Er moet zoveel vocht worden toegevoegd, dat de bestanddelen nog aan elkaar blijven hangen. Daar de verschillende soorten bloem niet alle dezelfde hoeveelheid vocht kunnen opnemen, is het niet precies te zeggen hoeveel water men kan gebruiken.

Het deeg uitrollen op een met bloem bestoven oppervlak tot rondjes van ± 10 cm middellijn. Bij het rollen van het deeg mag de rol niet te hard op het deeg worden gedrukt: het dient zo luchtig mogelijk te gebeuren, onder geregeld keren.

Op elk lapje deeg wat van de bereide vulling leggen. De lapjes dubbelslaan en de randen vastplakken met wat water. Na ze met wat ei te hebben bestreken in een vrij hete oven (175-200°C) in 20 à 30 minuten goudbruin bakken.

Appelflappen van feuilletéedeeg

  • 1½ ons bloem
  • 125 gr koude! boter
  • ¾ dl water
  • 3 gr zout
  • 2 appelen
  • 25 gr suiker
  • 15 gr rozijnen
  • kaneel
  • verdund eigeel of ei

Goed feuilletéedeeg moet luchtig zijn en uit talloze dunne laagjes bestaan. Luchtig wordt het deeg doordat de ingewerkte lucht en het water het in de oven doen rijzen; dat de laagjes dun zijn is het gevolg van de boter, die het op elkaar plakken van de deeglagen verhindert.

De helft van de boter in de bloem in niet te kleine stukjes hakken, iets groter dan bij het Engels korstdeeg. De boter moet ook hier weer zeer hard zijn. Water en zout toevoegen en er met het mes een samenhangende massa van maken. Hierin moeten de boterklontjes nog goed te zien zijn. Het deeg mag niet te droog, maar ook niet te vochtig zijn.

De plaats waar men dit deeg maakt, moet koel en de boter hard zijn. Het gebruik van de handen moet dan ook zoveel mogelijk worden vermeden. Gedurende de bereiding laat men het deeg van tijd tot tijd op een koele plaats “rusten” om de boter weer harder te laten worden. Het is aan te raden om – indien mogelijk – het deeg na de eerste keer mengen een nachtlang koel weg te zetten.

Een werkvlak met bloem bestuiven en daar de deegbal even doorheen wentelen. Voor het rollen geldt dezelfde werkwijze als voor het Engelse korstdeeg.
Vooral de eerste keren moet de lap niet te dun worden uitgerold. Zo mogelijk moet men de deeglap zowel in de lengte als in de breedte in drieën opvouwen, daarna weer uitrollen, en dan opnieuw driemaal in lengte en breedte opvouwen. Dit wordt tot driemaal toe herhaald. Indien men het deeg niet meteen verwerkt maar een nacht wegzet, is het raadzaam om de kom of schaal te bedekken met een vochtige doek.

Vlak voor verwerking het deeg weer uitrollen en nu iets dunner dan voorheen. De overgehouden stukjes boter – ter grootte van een hazelnoot – worden nu in rijen en op een onderlinge afstand van ongeveer 1 cm op de deeglap gelegd, waarbij de rijen afwisselend inspringen:

 ◊  ◊  ◊  ◊  ◊
◊  ◊  ◊  ◊
◊  ◊  ◊  ◊  ◊

Op deze wijze moet getracht worden alle boter in één keer op de deeglap te verdelen. Deze wordt nu weer in lengte en breedte in drieën opgevouwen, daarna weer uitgerold en opgevouwen en deze bewerking nog eens herhaald. Dan moet het deeg weer rusten en na deze rusttijd wordt het uitrollen en opvouwen weer driemaal herhaald. Na de laatste maal uitrollen is het deeg gereed voor gebruik. De verwerkingswijze is verder identiek aan het boven beschreven proces met Engels korstdeeg.

De appelflappen worden op een met bloem bestrooid bakblik gebakken en bestreken met losgeklopt, iets verdund ei. De oven moet minstens even heet zijn al bij het bakken van korstdeeg.

Appelbeignets

  • 1 kg harde zure appelen (goudreinetten)
  • 125 gr suiker
  • 2 tl kaneel
  • ½ pd bloem
  • 2 gr zout
  • ½ flesje bier

Suiker en kaneel met elkaar vermengen; de appelen boren, schillen, wassen, in schijven van ± ½ cm dikte snijden en deze een half uurtje – bestrooid met suiker en kaneel – laten staan.

De bloem, waaraan het zout is toegevoegd, met het bier tot een gelijkmatig beslag aanroeren en onmiddellijk tot bakken overgaan. Het vet in een diepe pan zó warm laten worden, dat het dampt. De appelschijven één voor één in het beslag en in het hete vet wentelen, waarin ze door het koolzuur van het bier luchtig bruin zullen bakken.

De beignets op een stuk absorberend papier laten uitlekken maar warm houden; ze daarna op een verwarmde schotel leggen, met poedersuiker bestrooien en opdienen.

Een plezierige – en vooral veilige – jaarswisseling gewenst!

Bron:
Ik kan koken, P.J. Sarels van Rijn (oorspr. H.M.S.J. de Holl)
18e editie, Leiden, 1958 – A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij N.V.

Categorieën:Recepten Tags: ,